“Geen enkel verhaal is het waard om voor te sterven”, zei radiojournalist Jens Franssen tegen collega-journalisten toen hij uit Syrië terugkwam. Zijn Franse collega Gilles Jacquier was een paar dagen eerder omgekomen bij een mortierbeschieting. Werden de journalisten in de val gelokt? Of was het misschien toch een stom toeval? Ik betwijfel of we dat ooit met absolute zekerheid zullen weten. Het was één van die persbezoeken zoals autoritaire en dictatoriale regimes die plegen te organiseren. Je laat zo’n invitatie niet liggen maar meestal is de journalistieke return pover. De dood van Jacquier wordt er des te wranger om.
Geen domme dingen
Bij ons heeft iemand als Rudi Vranckx veel ervaring met het verslaan van oorlogen, net zoals mijn generatiegenoot Johan Depoortere toen die nog naar de brandhaarden in het Midden-Oosten trok. Oorlogen, gewapende conflicten, dat moet je als journalist eerst en vooral wíllen verslaan, je moet de drive hebben. Maar het is ook een vak dat je gaandeweg leert. Bij elk conflict waar kogels en mortiergranaten rondvliegen doe je nieuwe ervaring op: welk berekend risico kun je nemen, en vooral welke risico’s zijn niet te verantwoorden. Geen domme dingen doen. “Nooit tussen de vechtende partijen opereren”, zei Rudi tegen Martin Heylen in ‘God en klein Pierken’. Maar Gilles Jacquier had ervaring zat en uitgerekend hem overkomt het. Het is soms puur een kwestie van geluk, Russische roulette. De dood van de journalist is dan groot nieuws, en dat mag van mij. De acht Syriërs die eveneens omkwamen zitten verstopt in een bijzin. Dat stuit een beetje tegen de borst, maar daar wil ik het nu niet over hebben.
Warlike
Zonder mij ooit te hebben toegelegd op oorlogsverslaggeving ben ik toch een paar keer in situaties verzeild die, terugkijkend, tamelijk link waren. Hoe kun je over ervaring spreken als je in veertig jaar televisie maar een keer of vier, vijf in een warlike situatie terecht bent gekomen? Misschien was dat niet verstandig van mij.
In april 1975, nog groen achter mijn journalistenoren, was ik met mijn Hongkong-Chinese cameraman op weg van het belegerde Saigon naar het havenstadje Vung Tau waar boten met vluchtelingen waren aangekomen. We zouden een ‘sfeerstukje’ maken voor het journaal. Toen we onderweg een kolonne Zuid-Vietnamese soldaten aan het filmen waren kwam de andere kant van de weg een mortiergranaat neer. Het was de eerste keer dat ik die harde, droge knal hoorde. We doken meteen in een greppel, een normale reflex denk ik. Ik herinner me dat ik het spannend maar toch ook wel een beetje grappig vond. (Misschien omdat het niet echt vlakbij was?).
Kerst 1989. De ene Oost-Europese domino na de andere was bezig aan ’t vallen. Ik had bij de hoofredacteur een wit voetje gehaald om de Roemeense revolutie te mogen verslaan, maar op de valreep moest ik een collega vragen of hij me wilde vervangen. Een andere collega, Danny Huwé van VTM, werd in Boekarest doodgeschoten door een sluipschutter. Had het mij of die collega die voor mij was ingesprongen, ook kunnen overkomen?
Smerige oorlog
De eerste helft van de jaren negentig werd het pas echt menens. De volkeren van Joegoslavië bezorgden ons vlak bij huis een echte oorlog die een paar jaar zou duren en waarin zo’n 150.000 mensen omkwamen. In Bosnië alleen stierven een kleine dertig journalisten. Het was een buitengewoon smerige oorlog, zoals elk etnisch conflict waarin kunstmatig opgestookte haat een uitweg zoekt. Jonge snaken van ongeregelde milities duwden je bij een wegbarricade meteen hun geweerloop onder je neus. Ik vermoed om hun simpele vraag “Voor welk tv-station werk je?” kracht bij te zetten. Twee keer ben ik in ex-Joegoslavië echt bang geweest. Eén keer op het ogenblik van de knal en één keer post factum, als dat al kan.
In een land in oorlog ben je voortdurend ‘onderweg’. Misschien denk je onbewust dat wie veel beweegt geen gemakkelijk doelwit is. We zaten met een cameraploeg en een tolk in een veel te kleine huurauto, we reden van Vinkovci naar Vukovar, want in Vukovar moest je zijn. Daar probeerden Kroatische milities nog even stand te houden tegen de oppermachtige, want veel beter bewapende Serviërs. Er ging van Vinkovci nog maar één weg naar Vukovar, het gebied daarrond was niet meer veilig want al geïnfiltreerd door Serviërs. Dus namen we die weg en kwamen in een onooglijk dorp, Nustar, dat net door jachtvliegtuigen bleek te zijn beschoten. Er werden gewonden weggevoerd naar het ziekenhuis van Vinkovci en er liepen verdwaasde, met bloed besmeurde kippen op straat (als kippen zonder kop, maar die hadden ze nog).
We besloten toch maar verder te rijden naar Vukovar, want daar moest je zijn, daar was het nieuws. En dan was er plots die knal, oorverdovend, nee, oorverscheurend, veel luider en vooral veel dichterbij dan bijna twintig jaar eerder in Vietnam. Mijn trommelvlies zou die knal voor goed in z’n geheugen opslaan. We zagen de granaat vóór ons openspatten. Met z’n vieren doken we een huis in, een kelder waar toevallig Kroatische gardisten ook aan het schuilen waren. Ze legden ons vloekend uit dat de Serviërs hoog in een graansilo hadden postgevat en dat ze het leuk vonden op auto’s te schieten waarop in grote letters “PRESS” was geplakt. Je hebt geluk gehad, zeiden ze, de volgende keer zouden ze de mortier wat hebben bijgesteld en waarschijnlijk raak hebben geschoten.
Tv-mast
De tweede keer dat ik bang was, was post factum. In Zagreb was eigenlijk niet veel aan de hand, behalve vervelende geruchten over sluipschutters van een Servische vijfde kolonne in de stad. Wel had de Servische luchtmacht al een paar keer de zendinstallaties van de Kroatische televisie beschoten op de berg Sljeme, 1000 m hoog, net buiten Zagreb. We reden de berg op om die reusachtige tv-mast van dichtbij te filmen. Het was winter, er lag sneeuw, dus dat zou een paar fotogenieke beelden opleveren. Toen we een paar uur later in de hotelkamer met de tolk naar het televisienieuws wilden kijken, was het beeld erg gestoord en zei de nieuwslezer dat de zendmast op de Sljeme-berg in de late middag opnieuw beschoten was. Zouden de Servische piloten zich hebben ingehouden als ze hadden gemerkt dat daar beneden een nietige cameraploeg aan het werken was? Bang zijn post factum is niet hetzelfde als écht bang zijn, dat heb ik daar in Kroatië ondervonden. Erger is dat je opgescheept zit met het vervelende gevoel dat je misschien gewoon heel dom bent geweest. Want zoals Jens Franssen terecht zegt, geen enkel verhaal is het waard om voor te sterven.
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels – mod






Beste William,
Oorlog, burgeroorlog, geweld waardoor mensen sterven is pure waanzin. Dat zal je ook wel vinden.
Is het nuttig of nodig dat naar die gevaarlijke plaatsen mensen en in dit geval journalisten naar toe trekken om verslag te doen.
Persoonlijk zeg ik volmondig Ja!
Moeten er militairen, brandweerlui, jumpers in kerncentrales, zandstralers, schilders, politieagenten, chauffeurs en niet te vergeten onze bouwvakkers zijn? Zij allen oefenen een levensbedreigend beroep uit als het lot hen niet gunstig gelegen is.
Als een journalist of politieagent ” sneuvelt” krijgt het terecht een grote weerklank. In tegengestelling tot bv een bouwvakker die van een stelling valt, nauwelijks aandacht krijgt. Zo is het nu eenmaal, maar denk dat er percentueel meer bouwvakkers of brandweerlui verongelukken dan oorlogsjournalisten. Kortom: De risico’s van het vak.
Als ervaringsdeskundige was Gilles Jacquier zich goed bewust van mogelijke consequenties van zijn gedrag. .
Het komt oorlogjournalisten toe om ook aan hun dierbaren en nabestaanden te denken.
Zogenaamde grote leiders en aanvoerders van (alle) oorlogen blijven zelf op veilige afstand, terwijl ze anderen de dood in jagen.
De daders van dergelijke daden zullen geen traan om laten om een doodgeschoten journalist.
Rudi Vranckx kent die gevaren ook.
Indien er een bom ontploft lijkt mij de normale reactie dat je schuilt of je uit de voeten maakt. Wat hoor ik een van de betrokkenen ’s morgens op de radio verklaren?
“We kwamen daar met een tiental journalisten aan in 3 minibusjes. Toen we uitstapten ontplofte er een eindje verder in de straat een granaat. We zijn er allemaal naartoe gelopen om te kijken wat er gebeurde…”
Ik maak mij dan onwillekeurig de bedenking: “Als je een journalist wil vangen moet je maar een bom laten ontploffen. Zoals je konijnen vangt met een lichtbak.”
Waarmee ik niet wil zeggen “Eigen schuld, dikke bult!”, maar was dat nu echt het verstandigste om te doen? Wat wilden ze daar aantreffen dat er een half uur later niet meer zou zijn? Het verslag voor het nieuw is niet overtuigender als het bloed nog nat is en de lijken nog warm. Bovendien heb ik ook niet alle gruwelijke details nodig om te begrijpen dat er iets niet koosjer is in Syrië. En als er al minder te zien zou geweest zijn had die Franse journalist het tenminste nog kunnen navertellen.
Dus, inderdaad geen beroep zonder risico’s, maar je moet ze ook niet nodeloos opzoeken.
Meestal is het beroep dat men uitoefent een persoonlijke keuze. Dat zal wellicht niet anders zijn voor oorlogsverslaggevers.
Ze hebben een beroeps – ethiek en van hen zal ook wel verwacht worden dat ze nieuws heet van de naad brengen en liefst zo sensationeel mogelijk. De kijker lust ook wat! Bij ons zegt men: ” Je loopt naar de dood toe ” of ” Bij wonder is hij aan de dood ontsnapt.” Of in dit geval het risico nodeloos is opgezocht, zou ik niet durven beweren. Wellicht hebben ze geen tweede of meerdere projectiel(en) verwacht, misschien wel verkeerd en steunend op hun ervaring. Akkoord dat ieder geweld slachtoffer er een te veel is.