Weblog William Van Laeken

Over talen en vertalen

08 / 12 / 2011

Word ik weekhartig , een tikkeltje seniel misschien? Oordeel zelf maar: terwijl we misschien afstevenen op het einde van de Euro, een burgeroorlog in Congo en nog een paar klimaatrampen, bekruipt mij de lust over zo iets futiels te schrijven als ‘literair vertalen’. Komt het misschien doordat ik nog ergens een diploma heb liggen van vertaler dat ik een zwak heb voor mensen die ook daadwerkelijk vertalen? Wil je daar een redelijke boterham mee verdienen, dan begin je best met enkele collega-vertalers een vertaalbureau en ga je gespecialiseerde teksten vertalen voor bedrijven, universiteiten of overheidsinstellingen. Een eerbare bezigheid, daar niet van. Maar de romanticus in mij voelt meer voor de ‘literair vertaler’, de man of vrouw die ’s avonds bij de schemerlamp Literatuur met een hoofdletter vertaalt, moeilijke boeken, monnikenwerk. Waarom doen ze dat vooral ’s avonds? Omdat ze overdag moeten bijklussen want met literair vertaalwerk alleen verdien je het zout in de pap niet. Een schande vind ik dat.

Slecht betaald

De Vlaamse Auteursvereniging (VAV) keek in de portemonnee van de literair vertalers en kwam tot de ontstellende bevinding dat ze gemiddeld met vertalen zo’n 1350 euro netto verdienen.
Het tarief is 6,3 eurocent per woord, maar meer dan drie kloeke romans per jaar is niet doenbaar. Uit de VAV-enquête blijkt dat 80 % van de literair vertalers niet kan rondkomen. De Vlaamse vertalers hebben dan nog af te rekenen met het feit dat de grote uitgevers allemaal in Nederland zitten. Die spreken eerst hun eigen pool van vertalers aan (ze beheersen ook het best het ‘Randstad-idioom’) en doen pas daarna eventueel een beroep op een Vlaming. Voor wie geen zin heeft van honger om te komen zijn er enkele uitwegen: 1) een partner hebben met een ‘normaal’ inkomen; 2) hopen dat je een vertaalsubsidie krijgt; 3) een tweede baantje erbij nemen.

Vertalen als performance

Sombere cijfers die me niet hebben belet volop te genieten van een avond die Passa Porta recent heeft belegd over literair vertalen. Stel je voor: een paar honderd aanwezigen in de schitterende Studio 4 van Flagey, op het podium drie vertalers, elk aan een kleine tafel die aan één kant ondersteund is door een stapel boeken, op die tafel een Apple-laptop. De vertalers zitten met hun rug naar een groot scherm waarop een tekst in het Portugees verschijnt, een gedicht van Pessoa. Op het startsein beginnen ze te vertalen naar het Frans, het Nederlands en het Sloveens. Hun aanslagen op het toetsenbord worden door de mengtafel versterkt tot zweepknallen. De woorden verschijnen naast elkaar simultaan op het scherm. Ik maakte nooit eerder een live performance vertalen mee! Ik kijk als het ware in het hoofd van drie literair vertalers, zie hoe ze zwoegen op de moeilijke tekst, hoe ze zoeken naar het juiste woord, deleten, opnieuw beginnen, tikfouten maken. Kortom, we zijn een zaal vol voyeurs. Tegelijk zitten we naar een wedstrijd te kijken: wie zal het eerst klaar zijn? Harry Lemmens, die naar het Nederlands vertaalt, wint. Ik ben een beetje trots.

Er is nog meer fraais. Op het eind van de avond betreden 12 vertalers het podium die elk een ander gedicht van Pessoa hebben vertaald: ze lezen een voor een , elk in zijn of haar taal, enkele verzen voor, en geven het gedicht door aan elkaar als atleten de estafettestok. Ik moest denken aan die beroemde zin die ik geneigd was voor een dooddoener te houden, “mijn enige vaderland is de literatuur” (Borges?), maar nu, op dit magische moment, wist ik dat het zo was.

Vertalen = herschrijven

Tussen die vertaal-happenings vertellen buitenlandse schrijvers hoezeer ze het werk van hun vertalers bewonderen, elkaar overtreffend in loftuitingen. Dat een roman vertalen neerkomt op het herschrijven van de roman, dat de vertaler eigenlijk de co-auteur is. Want hij vertaalt niet enkel woorden, zinnen, paragrafen, hij vertaalt een hele cultuur. Een boek vertalen uit het Frans of Engels, tot daar aan toe, maar uit het Arabisch of Japans, ga er maar aan staan. Het is (nog eens Borges) als een boom uit een ander klimaat die je overplant in uitheemse grond. De Kroatische schrijfster Dubravka Ugresic zegt dat ze het aan vertalers te danken heeft dat ze als schrijfster vandaag nog bestaat. Ze keerde begin jaren negentig Kroatië en zijn enge nationalisme de rug toe. Haar boeken verschenen niet meer in het Kroatisch, wel in het Engels, Nederlands en Duits, waardoor ze als zelfgekozen banneling geen steuntrekster werd. “Vertalers hebben mijn leven gered”, zegt ze.

Ik beluister ook weinig vlijende woorden over Amerikaanse lezers. In de Verenigde Staten, met z’n 300 miljoen inwoners, zijn drieduizend echte lezers, zegt de schrijver Michael Cunningham. Het is bedoeld als boutade mag ik hopen. Maar het klopt dat een Amerikaanse uitgever een oplage van 600 exemplaren liet drukken van “Who is that guy?”- Nabokov. En dat van een vertaalde novelle van de Japanner Kenzaburo Oë, meteen nadat hij de Nobelprijs had gekregen, 1000 exemplaren in de VS zijn verkocht. Het boek, het goede boek, als bedreigde soort.

Brussel = Babel

Geen betere plaats om over boeken en vertalingen te praten dan Brussel. In de wandelgangen van Flagey weerklonken zeker tien verschillende talen. En dan zat de moedertaal van veel aanwezigen nog verstopt achter het Engels, de lingua franca van vandaag. De podiumgesprekken waren uiteraard ook in het Engels, wat had u gedacht. Het kan frustrerend zijn dat één taal alle andere zo verpletterend domineert, zei Ugresic in naam van alle gebruikers van een ‘kleine’ taal, maar zo’n dominante taal werkt ook “as a mediator”, als verbindingsmiddel. Want als de literatuur inderdaad ons echte vaderland is, dan wil je toch wel zeker over die literatuur met elkaar kunnen praten? In het Engels dus.

In de metro naar huis besefte ik weer wat een heerlijke toren van Babel Brussel is. In mijn metrowagen alleen al hoorde ik Arabisch van allochtone medereizigers, Spaans van enkele Erasmus-achtige studenten, ook Spaans maar toch ook weer anders van Latijns-Amerikanen en Grieks van een stel toeristen zo te zien. Hoewel ik hoegenaamd geen aanhanger ben van de Vlaamse ’reconquista’-gedachte ten aanzien van Brussel deed het me goed ook een onvervalst Brabants dialect te horen. En toen ging mijn fantasie met mij aan de haal. Stel je voor, dacht ik, dat al de bedelaars en muzikanten in de metro vervangen zouden worden door simultaanvertalers en dat ik die voor de paar muntjes die ik gewoonlijk aan de accordeonist geef even zou kunnen inhuren. Aan de allochtonen zou ik laten vragen wat ze vinden van de zogenaamde Arabische Lente in hun thuisland. De Erasmus-studenten zou ik zeggen hoe ik ze benijd en hoe jammer het is dat ik vijfenveertig jaar geleden niet ook een jaar in Madrid of Sevilla kon studeren. Van de Griekse toeristen wil ik weten of ze er niet aan denken om asiel aan te vragen. Maar ach, simultaan vertalen – ik weet het, ik deed het een paar jaar – is wegwerp-vertalen. De woorden vermengen zich met het metrogedender en ze zijn al vergeten als ik uitstap. Dan wil ik liever die literair vertaler zijn die er vijf of tien jaar over doet om de Don Quichote of de Divina Commedia te vertalen, zó goed dat mijn vertaling alle vorige vertalingen van die tijdeloze meesterwerken doet vergeten.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de gewijzigde regels – mod

3 Antwoorden op “Over talen en vertalen”

  1. Filip :

    Natuurlijk weet ik als wereldvreemd taalkundige ook wel dat de problemen met de Euro, de kernramp in Fukusjima en de beangstigende gedachte dat ook jonge mensen een einde maken aan hun prille leven, veel belangrijker en schokkender zijn dan de -al dan niet afwezige- kwaliteit van deze of gene vertaling.

  2. Dank voor dit mooie stuk! Het doet goed, heel af en toe toch eens in de schijnwerpers te staan, wij, onzichtbaren. Het was ook fijn dat De Morgen een paar dagen voor de avond in Flagey een heel boekenkatern wijdde aan het vertalen. Af en toe zie ik soms zelfs in een recensie een (positieve) opmerking over de vertaling (bij deze: dank, Eric Min!). Meestal mogen we al blij zijn als onze naam onderaan vermeld wordt, want sommige kranten en tijdschriften doen ook dat niet, wat het beeld versterkt dat we Borges of Don Quichote of de Divinia Commedia in het origineel lezen en er helemaal geen vertalers aan te pas komen.
    Ik was de hele vrijdag van het Passa Porta-evenement op een congres van Europese literaire vertalers in Brussel. En kon daar alleen maar tot de conclusie komen dat wij in Nederland en Vlaanderen nog van geluk mogen spreken, omdat we een subsidiëringssysteem hebben! We zijn daarin uniek. Het is dankzij dat systeem dat een aantal van de boeken die u kunt lezen, ook kwaliteitsvol zijn vertaald, omdat de vertalers er de tijd voor hebben gekregen. Lezers in ons taalgebied beseffen vermoedelijk ook niet hoe gelukkig ze zich mogen prijzen met hun toegang tot de wereldliteratuur. Vergelijk: 70% van de totale boekproductie hier is vertaald – in Engeland 3%.

Plaats een antwoord op het bericht