Weblog William Van Laeken

Uitgesteld kijken

10 / 05 / 2012

Wat een vreemd schouwspel was dat. Uw ‘digicorder’, of in mijn geval ‘HD-decoder’, werd tot de orde geroepen, voor het tribunaal gesleept en tot de brandstapel veroordeeld. Zijn halsmisdaad: hij is er verantwoordelijk voor dat wij, tv-kijkers, in al onze onschuld – dachten we – reclameblokken doorspoelen. Een stormpje in een glas water, ondertussen weer bedaard. Toch wil ik me nog even mengen, een allerindividueelste expressie die geen rekening wenst te houden met economische wetmatigheden.

Mensenrecht

Mediamagnaat Christian Van Thillo bond de kat de bel aan. “Uitgesteld kijken is levensbedreigend voor het huidige televisiemodel”, zei hij. We moeten ons schuldig voelen omdat we vaak uitgesteld kijken en dankbaar van de gelegenheid gebruik maken om reclameblokken te skippen. Van de gelegenheid én van de digitale techniek. “Een fantastisch toestel”, geeft Van Thillo toe, “met een geweldig gebruiksgemak.” Vooruitgang dus. Zijn we daar niet allemaal vóór? Hoe kun je tegen iets zijn dat ‘fantastisch ‘ en ‘gebruiksvriendelijk’ is? Het is de droom van elk bedrijf om zo’n product op de markt te kunnen brengen.

Waar is de tijd van mijn videorecorder, jaren tachtig en nog een flink stuk negentig. Je ziet hem nog wel eens op rommelmarkten tussen ander industrieel-archeologisch spul. Mijn kijkgedrag was toen eigenlijk niet zo anders. Ik keek toen ook al ’uitgesteld’, zoals het nu modieus heet. Ik duwde ook al op ‘FF’ (fast forward) als die domme, enerverende reclame eraan kwam. En als ik live keek begon ik in de krant te bladeren die naast me op de luie stoel lag, of liep ik even weg borrelnootjes halen of naar het toilet. Alles was goed genoeg om niet naar de reclame te hoeven kijken.

Ik doe, denk ik, wat heel veel mensen doen: proberen van niet te kijken naar dingen op tv die we niet leuk of niet interessant vinden. Gewoon, time is money. En dat geldt niet enkel voor reclame op tv. Naar Match of the Day op de BBC kijk ik liever uitgesteld want dan kan ik die professorale analyses in de studio van alweer een magistrale één-twee doorspoelen. En als ik naar De Zevende Dag kijk doe ik dat à la carte: bij een onderwerp dat me niet of maar matig interesseert gaat het geluid fors naar beneden, ondertussen doe ik iets anders. Misschien moeten we in het Europees Verdrag van de Mensenrechten een paragraaf bijschrijven: het recht van iedereen om enkel naar datgene te kijken wat hem interesseert. En sorry, reclame is daar wat mij betreft niet bij.

Films worden langer

De geschiedenisboeken zullen van 1989 twee wereldschokkende gebeurtenissen onthouden. In Berlijn werd iets naar beneden gehaald, de Muur, en in Vlaanderen werd iets opgericht, de commerciële televisie. Er kwam een einde aan het omroepmodel van de zg. ‘social responsibility’ (naar beeld en gelijkenis van de BBC): amusement mocht, maar de televisie moest toch in de eerste plaats informeren en opvoeden. Dat model, waar al grote barsten waren ingekomen, was nu plots helemáál uit de tijd.

Natuurlijk kon de televisie geen reclameloos eiland blijven te midden van een oceaan van reclame. De enige overblijvende ideologie was die van het consumentisme, de televisie zou haar dienaar worden. Een film – de Zevende Kunst – werd plots met twintig minuten uitgerekt, hij moest zich drie of vier keer laten onderbreken door reclame. Vandaag komt dat model van de commerciële televisie zelf onder druk. Haar reden van bestaan zijn immers niet zozeer de programma’s, zij zijn maar lokvogels van waar het echt op aankomt, de reclame. En precies die pap blijken de mensen niet te lusten. Een laat inzicht en inderdaad levensbedreigend voor het business model.

De televisie krijgt nog heel andere katten te geselen. Het jonge volk zit niet meer braaf, zoals wij destijds, naar televisie te kijken. Ze zitten massaal op internet te surfen of ze zijn met hun gsm’s bezig. Een tekening van cartoonist Kim in De Morgen vatte die revolutie in één beeld samen: papa brengt z’n puberzoon, die op z’n kamer aan de computer zit, het heuglijke nieuws dat er een jongerenkanaal bijkomt op televisie. “Televisie?!?”, antwoordt het jochie.

Reclamevrij sprookje

Wie zoals ik geen verstand heeft van economie vervalt gemakkelijk in sprookjes. Soms vraag ik me af wat er zou gebeuren als bedrijven een convenant zouden sluiten om op te houden met reclame maken. Geen ether-, straat- of krantenvervuiling meer. Minder decibels, minder pijn aan de ogen. Mond-aan-mond-“reclame” vertelt ons welke nieuwe producten er op de markt komen en wat ze waard zijn. De incentive om iets te kopen is de echte verhouding prijs-kwaliteit, niet langer scheefgetrokken door leugenachtige reclameboodschappen. Ontelbare bomen worden niet langer geveld om verwerkt te worden tot reclamedruksel. Het is waar, er dreigt een sociaal drama doordat een gigantische industrie in elkaar stuikt, maar het zijn over het algemeen knappe koppen die daar werken (wasted talent) en dus kunnen ze spoedig elders aan de slag.

Terug naar de realiteit van de huiskamer, de digicorder. Die laten we ons in elk geval niet meer afpakken, de mensen komen voor minder op straat. Ze zullen iets anders moeten bedenken. Hier en daar heeft al iemand geopperd dat we misschien minder vlug de reclame op televisie zullen skippen als de spotjes beter gemaakt en leuker zijn. Als ze dus tot kunst worden verheven . Niet doen, jullie zijn er aan voor de moeite. Want een kunstig gedraaide drol blijft een drol. Zo gauw mogelijk doorspoelen.

William van Laeken

Help, waar is mijn identiteit? (2)

26 / 04 / 2012

Vijftig reacties op mijn vorige blog, dat ben ik niet gewend. Bijval was mijn deel, maar evenveel, zo niet méér, billenkoek. Ik wou het nochtans eenvoudig houden: laat ons stoppen, suggereerde ik, met zeuren over onze (Vlaamse) ‘identiteit’, vertel toch liever wie je bent, wat je doet, wat jouw geschiedenis is. Daaruit leiden we dan wel af met wie we te maken hebben. Ik gaf een kleine aanzet door iets over mezelf te vertellen, identiteit als optelsom van brokstukjes biografie.

Lang geleden, lang vóór Facebook en Twitter, hadden we bij Panorama aan ’t eind van de uitzending een zogenaamde brievenrubriek, een verre voorloper van interactieve televisie. De kijker kroop in zijn pen en schreef een brief, vaak nog met de hand, echt waar, of een ‘gele briefkaart’ want dat was goedkoper. Wij probeerden dan met enkele representatieve citaten de verschillende strekkingen van de reacties weer te geven. Ik herinner me hoe moeilijk het was om dat onpartijdig te doen, om je eigen voorkeuren het zwijgen op te leggen en bv. ook de grootste onzin aan bod te laten komen. Ik moest daar aan terugdenken toen ik de kakafonie van reacties op mijn blog las. Het is eigenlijk onbegonnen werk daar structuur in aan te brengen. Maar ik wou als kind al schoolmeester worden, dus dit is een kans die ik niet mag laten liggen.

Trek verschillende jassen aan

“Volgens mij bestaat zoiets als de Vlaamse identiteit niet. Als Antwerpenaar voel ik me helemaal geen Vlaming.”
“Als Limburger voel ik me eerder thuis in de regio Maastricht-Luik-Aken dan in een met kunstmatige mythes verzonnen Vlaanderen.”

Straffe taal. Van mezelf zou ik dat nooit zo zeggen. Antwerpenaar stelt natuurlijk iets meer voor dan, in mijn geval, Wetterenaar. Dat heeft te maken met die oeroude kloof tussen aan de ene kant stadsmensen en aan de andere provincialen en plattelanders. Van iemand die vroeger bij ons thuis langskwam, iets mee dronk of at en zich daarna snel uit de voeten maakte, zei mijn moeder: “Zoals de Gentenaars”. Onder verstaan: die van de stad hadden misschien veel maniertjes maar geen manieren. Aan die Antwerpenaar vraag ik of hij misschien geen deel uitmaakt van een groter geheel (grotere gehelen): Antwerpen is de grootste stad van het gewest Vlaanderen, is de enige havenstad die naam waardig van België, is door zijn geschiedenis verbonden met (en tegelijk afgesneden van ) Nederland, dreef intens handel met Noord-Italië, Genua, de Noord-Europese Hanzesteden, en met wie niet nog allemaal? Kom op, Antwerpenaar, gooi af die particularistisch-chauvinistische reflex, trek al die verschillende jassen aan, waarschijnlijk ga je je beter en rijker voelen. Je wilt je ‘identiteit’ toch niet laten samenvallen met de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwentoren?

Vlamingen houden het graag klein. Mijn dorp, stadje, regio, provincie. Er is niets mis mee om je daar goed bij te voelen. Wetteren – daar stond mijn wieg en bracht ik mijn jeugd door – is te groot voor een dorp en te klein voor een stad, er valt niet zoveel te beleven, maar als ik er kom voel ik toch, ja wat eigenlijk? Een soort van nostalgie, iets van vertedering? Daar stond en staat het huis, is de straat, de wijk waar ik ben opgegroeid. En nee, beste bloglezer, dat je houdt van je “eigen straat, eigen dorp of stad in je eigen provincie betekent niet dat je dan bekrompen nationalistisch bent”. En nee, ‘natie’ en daarvan afgeleid ‘nationalistisch’, hoeven niet noodzakelijk een kwaadaardige bijklank te hebben. Zolang je maar weet dat er onder die vlag helaas gruwelijke misdaden zijn gebeurd en dat we dus heel zorgvuldig met dat woord en de bijbehorende gevoelens moeten omspringen.

Kosmopoliet zonder wortels

“In werkelijkheid zijn ons een aantal identiteitslagen opgedrongen: het land België en Europa. Op geen enkel ogenblik is er zoiets geweest als een ‘Europeaan’”.

Als je op straat de mensen een microfoon onder de neus duwt en je vraagt of ze zich Europeaan voelen zal je meestal vreemd worden aangekeken. En toch, als we in Amerika zijn komt die gedachte vanzelf naar boven: ik ben toch wel anders, ik ben blijkbaar een ‘Europeaan’, andere gewoontes, andere mentaliteit, andere geschiedenis. Ik vind dat zelf geen onprettig gevoel. Ik hou enorm van dit kleine continent waar we zo dicht op elkaar leven met onze verstrengelde geschiedenis, onze talen, onze hebbelijkheden. Of het nu Krakau, Bordeaux of Pamplona is, ik weet dat ik er me snel zou thuis voelen. Van mij mogen de scholen best proberen er bij hun leerlingen wat Europees burgerschap in te lepelen.

“Ik heb de indruk dat ‘kosmopoliet’ zijn een luxe is die veel mensen zich niet kunnen veroorloven.”

Ik stelde mij aan ‘t eind van mijn vorige blog een meertalige Vlaming voor die zich vanzelfsprekend ook Europeaan zou voelen, een modelburger dus in het federale Europa dat er misschien wel nooit komt (maar het is niet verboden te dromen). Bart de Wever heeft al een paar keer in krantenstukken uitgehaald naar Vlamingen met kosmopolitische ambities: “Het burgerlijk kosmopolitisme waar veel liberalen vandaag op broeden als alternatief voor een groepsidentiteit gebonden aan een natie(staat), is een hol vat”(De Standaard van 4 april). Een kosmopoliet is volgens Van Dale iemand “die de gehele wereld als zijn vaderland beschouwd, die geen nationale bekrompenheid, voorliefde of vooroordelen heeft”. Van Dale geeft als synoniem ‘wereldburger’. Het eerste deel van zijn definitie is wat hoog gegrepen, vind ik, ‘de gehele wereld’ is wel erg veel. Maar het tweede deel geeft goed weer waar het om draait: je niet laten opsluiten in het harnas van één identiteit, vensters openen naar de anderen, naar de rest van de wereld.

Met sommige woorden moet je uitkijken, ze werden nu eenmaal iets te vaak in de mond genomen door het grootste gespuis dat Europa heeft uitgebroed. In de nazi-propaganda lees je over de jood als “de eeuwige kosmopoliet”. Stalin maakte het nog bonter. Voor hem was de jood, in tegenstelling tot Hitler, niet minderwaardig, maar hij was een onbetrouwbare intellectueel en vooral een ‘besrodny kosmopolit’, een kosmopoliet zonder wortels. En dus kon hij van spionage en zionisme worden beschuldigd en in een schijnproces ter dood worden veroordeeld. Zoals ik al zei, sommige woorden zijn net iets té beladen om ze gedachteloos in de mond te nemen.

Na alle ongewilde zwaarwichtigheid hierboven, een kleine dosis tegengif. Eén van de laatste reacties op mijn blog: “Ik ben gewoon een werkmens, dat is de identiteit die er toe doet.”Oef, we staan weer met onze voeten op de grond.

William van Laeken

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Help, waar is mijn identiteit?

12 / 04 / 2012

Ik heb me met enige vertraging door een stapeltje kranten gewerkt met daarin nogal wat opiniestukken over geschiedenis en identiteit (in De Standaard, tussen 24 maart en 11 april, bijna dagelijks). Lap, dacht ik, daar is ze weer, onze identiteit.

Bart de Wever was erover begonnen. Hij betoogt dat wij Vlamingen historische verhalen nodig hebben om tot een ‘groepsidentiteit’ te komen, en dat we best naar een evenwicht streven tussen, enerzijds, verzonnen of bijgekleurde verhalen en, anderzijds, de verhalen die overblijven nadat ze door kritische wetenschappers zijn ontdaan van hun mythes. Verloren moeite trouwens van die historici, met hun “drang naar destructie”, zegt De Wever berispend. Luc Huyse, Karel de Gucht en enkele jonge Gentse historici hebben gereageerd, De Wever klom dan opnieuw in de pen, enfin, lezend Vlaanderen had een heuse polemiek.

Identiteit = levensverhaal

De discussie deed me terugdenken aan een boekje dat in 1996 bij EPO verscheen, De bloesems van mijn schaduw, en ik haalde het prompt van mijn zolder. Het is een bundeling van briefdialogen met als thema, toen ook al, cultuur en identiteit. Er valt niets te bedenken waarom ik daar geschikt voor was, maar ook mij viel de eer te beurt om een paar brieven te schrijven. Ik werd gekoppeld aan Fred Brouwers, bekend melomaan, die op mijn brieven zou antwoorden. Ik was toen net aan het bekomen van enkele reportages in ex-Joegoslavië die niet in mijn koude kleren waren gaan zitten. Ik kon het daarom niet laten om Fred uit te leggen hoe etnisch nationalisme en het cultiveren van een zogenaamde groepsidentiteit vreselijk konden ontsporen – dat had ik met mijn eigen ogen in Servië en Kroatië kunnen zien.

Maar eigenlijk had ik heel weinig van doen met zo’n identiteitsdebat. In mijn eerste brief aan Fred dreef ik dat onbehagen op een karikaturale wijze op de spits. Ik bracht daarin verslag uit van een reisje met de stoptrein van Brussel naar Louvain-la-Neuve, veertien stationnetjes waaraan ik telkens een ‘verhaaltje’ over mezelf ophing, over waar ik mee bezig was, waar ik van hou, enz. Ik gaf dus telkens een stukje biografie prijs, op het banale af: iemand wiens voet elk jaar weer in bosgrond wroet op zoek naar de eerste na-winterse bosanemonen; de gretige weekendlezer van Nederlandse kranten; zijn volgehouden pogingen om andere Europese talen aan te leren; de liefhebber van Europese steden; enzovoort. Valt uit de optelsom van al die biografische weetjes bij benadering iemands ‘identiteit’ af te leiden? Met die retorische vraag eindigde ik mijn speelse brief aan Fred.

De epistels van een twintigtal Vlamingen en enkele Belgen kwamen in een boek terecht en werden door knappe koppen becommentarieerd. Ik heb het stuk van Jean-Pierre Rondas, ex-Klara, herlezen: hij eindigt met een pleidooi om het woord identiteit te vervangen door levensverhaal, biografie, en om op te houden te proberen onze ‘identiteit’ te omschrijven. Het is veel interessanter, zegt Rondas, gewoon ons levensverhaal, onze biografie te vertellen. Wat ik op mijn onbeholpen manier, tussen Brussel en Louvain-la-Neuve, had proberen te doen.

Slappe Vlaming

Zestien jaar later word ik nog even moedeloos van die identiteitsdiscussie. Ik hou het daarom simpel en ga, Rondas’ advies indachtig, nog even door met mijn biografie. Ik ben geboren in Wetteren, halfweg tussen Gent en Aalst. In mijn stamboom komen veel Oost-Vlaamse boeren voor, een enkele keer een lage beambte. Mijn “moeders taal”, de taal die mijn moeder en trouwens ook mijn vader met mij spraken, is een Oost-Vlaams dialect. Dat spreek ik nu enkel nog als ik in de streek ben en dan nog beperkt tot mijn generatiegenoten. Nadenken, spreken, schrijven, zelfs dromen doe ik in wat men standaard-Nederlands is gaan noemen, het vroegere ABN. Mijn taal, talen in het algemeen, hebben me als vehikel van sociale omgang altijd erg geboeid. Als de taal mijn identiteit mee bepaalt, en dat zal wel, dan is dat een Vlaamse identiteit, whatever that may be, met veel affiniteit met de Nederlandse.

Door een toeval woon ik nu in de periferie van Brussel, op de grens van twee taalgebieden. Met Frans- en anderstaligen in mijn omgeving spreek ik soms Nederlands. Of althans ik probeer het, maar als ik voel dat de conversatie niet echt wil vlotten schakel ik gauw over op Frans, Engels of Duits, naargelang. Ik ben dus wat dat betreft een slappe Vlaming. Een ex-collega van mij die een boogscheut verder woont weigert koppig zich aan die anderstaligen in onze Brusselse rand aan te passen. Hij spreekt Nederlands met hen, of spreekt gewoon niet met hen. Als Vlaming staat hij dus veel meer op z’n strepen. ’t Is de aard van het beestje, ik kan dat niet.

In Brussel is het van hetzelfde laken een pak. Ik probeer het meestal wel in het Nederlands maar vaak schakel ik over op Frans. Ik ben dus, vermoed ik, in de ogen van velen een slechte Vlaming. Ik denk dat dat komt doordat ik mijn Nederlands helemaal niet bedreigd voel, ik beschouw het als iets vanzelfsprekends, een volwaardige taal naast al die andere talen in de toren van Babel die Brussel en de Brusselse rand geworden zijn. Sterker nog: omdat ik alle talen als evenwaardig beschouw voel ik me méér waard dan bijvoorbeeld een bekrompen Franstalige die neerkijkt op het ‘Vlaams’. Hoewel we hem, het moet gezegd, in die bekrompenheid een handje helpen door verbasterd Nederlands, als het al geen dialect is, te spreken.

Meertalig

Dat brengt me weer bij dat brievenboek over cultuur en identiteit uit 1996. Volgens schrijver Stefan Hertmans is de Vlaming een soort “Nederlandstalige die door de mengvorm van zijn cultuur en de specifieke vorm van zijn tweetalige natie een groot en boeiend relativerend bewustzijn heeft gekweekt. De Vlaming is op zijn best als mens van twee culturen, dat is zijn identiteit, als een soort mesties van het noorden (…)”.

Daar heb je het woord ‘identiteit’ weer. Toegegeven, als dat mijn identiteit is, of beter gezegd, één van mijn identiteiten, dan kan ik daar mee leven. Professor Piet Van De Craen (VUB) neemt de tekst van Hertmans als opstapje naar een gloedvol pleidooi voor meertaligheid. “Meertaligheid”, zegt hij, “creëert een relativerend bewustzijn, wat de mens een bredere kijk garandeert.” In Europa, die smeltkroes van talen en culturen, geen overbodige luxe. Ooit verscheen een Europees Witboek dat de kennis van drie Europese talen vooropstelde voor elk zichzelf respecterende Europeaan. (À propos: dat Vlaamse kinderen tien jaar oud moeten zijn vóór ze in school hun eerste Franse of Engelse woordjes leren vind ik onbegrijpelijk en dom.)

Waarom die ronkende zin van August Vermeylen uit 1900 niet afstoffen en van een actuele inhoud voorzien: “Vlamingen zijn om Europeeërs te worden”? Ligt daar geen grote kans voor ons? De meertalige Vlaming als complexloze Europese burger. Of zijn dat de Vlamingen aan wie Bart De Wever zo graag een sneer geeft: de zogenaamde ‘kosmopolieten’, een soort waar hij het duidelijk niet zo voor heeft?

William van Laeken

Sterren zijn er om te fonkelen

29 / 03 / 2012

De Nacht van de Vlaamse Televisiesterren was aan zijn vijfde editie toe. Van uitzendingen die zo nadrukkelijk de Oscaruitreiking in Hollywood na-apen, heb ik een gezonde afkeer, maar nu besloot ik daar niet aan toe te geven, het ging tenslotte om het eerste lustrum. Ik ging er voor zitten.

Spotlights, camera’s die met een duizelingwekkende vaart door het zwerk van de Ethias Arena * zoeven. Vrouwen in prachtige jurken, mannen in avondkleding, de lampen weerkaatsen in de champagneglazen, het glittert en het schittert. In een decor dat, zoals de meeste televisiedecors, kitscherig is. De genomineerden zitten op een kluitje bij elkaar, dicht bij het podium zodat ze gemakkelijk in close up kunnen worden genomen. Zo’n live-uitzending wordt strak geregisseerd, ze verdraagt slecht improvisatie. Het enige spontane moment – Frieda van Wijck die foetert op de autocue – wordt beloond met bevrijdend gelach.

Meus en zijn jobke

Twaalf sterren te verdelen, acht voor de VRT, vier voor VTM. Buiten categorie is er nog een opkomende ster (humorist-imitator Jonas van Geel) en een uitdovende ster (Mike Verdrengh, wat is de Timbal uit Keromar dik geworden). Maar dé ster van de avond, voor het publiek en voor mij, was Jeroen Meus: drie televisiesterren krijgt hij, wie doet het hem na? Als ik hem bezig zie op Eén geeft hij mij het gevoel dat ik dat gerechtje misschien wel aankan, maar helaas, het gevoel blijft zonder daden. Ik had hem graag nog een vierde ster gegeven, de ster voor de mooiste tussentaal. Tussentaal is iets tussen dialect en Nederlands, ze bestaat in vele vormen en soorten en ze is in Vlaanderen springlevend. Het tussentaaltje van Jeroen Meus is onovertrefbaar. Hij bedankt de ploeg van Dagelijkse kost met een “Gelle zijt echt toppers, want mensen, t’is e jobke, e zwaar jobke.” Wat taalgebruik betreft had komiek Philippe Geubels aan het begin van de avond de toon gezet en de meeste trofeehouders wilden blijkbaar voor hem niet onderdoen. Amai zeg. Gelukkig waren er nog de twee presentatoren die, samen met de VRT-journalisten die de trofee voor beste informatieprogramma in ontvangst namen, zo’n beetje de enigen waren met standaard-Nederlands. Het is waar, Verdrengh en Appermont ook, maar die zijn van de oude school, toen was Nederlands spreken op televisie nog niet zo ongewoon.

Rare jurybeslissingen soms. Is de flikkenserie Code 37 beter dan De Ronde of Red Sonja? Kom nou, Code 37 is degelijke main stream, maar ook niet meer. Het nabootsprogramma Tegen de sterren op beste comedy? Geef mij maar Basta, geestig maar het gaat ook nog ergens over. Mocht het aantal sterren voor VTM misschien niet te klein worden, denk je dan. Beste presentatrice: Phara de Aguirre en An Lemmens in één en dezelfde korf, bien étonnées de se trouver ensemble, oftewel appels en citroenen vergelijken. Op gevaar af vooringenomen te zijn: waarom verdiende Panorama geen nominatie in de categorie ‘Beste informatieprogramma’? Het moet die ster niet krijgen (stel je voor), maar met zo’n nominatie had de jury aan het grote publiek kunnenzeggen: beste mensen, in Vlaanderen is er welgeteld één eenzaam tv-programma dat zich toelegt op de moeilijkste vorm van journalistiek, onderzoeksjournalistiek. Ingrid Lieten had dan, in close up, ministerieel kunnen glunderen want zij zegt daarvoor op te komen. Natuurlijk gaat de ster van ‘gemiste kans van de avond’ naar Sien Eggers (beste actrice): in haar flauwe dankwoordje had ze iets kunnen zeggen over de zwarte medemens waar ze zo van lijkt te houden.

Astrid, de mega-BV

De Nacht van de televisiesterren is de hoogmis van de BV-cultus. We koesteren onze BV’s. Zoals we een paar blogs geleden zagen, maken ze deel uit van onze Vlaamse identiteit en moeten de Walen, die geen BW’s hebben, ons dat benijden. Door op televisie BV’s na te bootsen word je zelf BV. En door te koken natuurlijk. Of door, op een slimme manier, flauw en een beetje dom te doen, Eddy Wally achterna. Astrid Bryan is de nieuwe ster aan het BV-firmament. Mijn kwaliteitskrant wijdt aan het fenomeen uit Astrid in Wonderland (op z’n Amerikaans uitspreken) twee pagina’s en laat drie universiteitsprofessoren aan het woord over haar. In de andere Vlaamse kwaliteitskrant zegt Piet Piryns, de man die twintig jaar geleden de term ‘verkleutering’ lanceerde: “Bekende Vlamingen? Als de nieuwe regering de eed aflegt bellen de kranten BV’s op en dan vernemen wij wat Arno, Luc Tuymans en Nathalie Meskens ervan vinden . Ze zijn volstrekt irrelevant .”

Televisie draait nu om bekende koppen, daar helpt geen lievemoederen aan. En om cijfers en percenten: kijkcijfers, marktaandelen, inkomsten uit reclame. De kranten vullen hun kolommen met beschouwingen over de komst van Woestijnvis-tv. De verhuis van Man bijt hond, De Slimste Mens en nog een paar ‘sterkhouders’ van VRT naar VT4, het weglokken (of is het wegkopen?) van VRT-talent en hoe de VRT dat allemaal gaat opvangen, dát houdt de gemoederen bezig, dáárover gaat het discours, over inhoud allang niet meer. (En jawel, ik vind de komst van die nieuwe zender ook wel spannend.) Toen in 1989-90 de commerciële televisie verscheen begon het marktaandeel van de VRT dramatisch te krimpen. Dan sta je voor de keuze: een kleine zender worden (stel je voor, de VPRO van Vlaanderen!) of de concurrenten met dezelfde wapens bekampen. De eerste keuze maakte geen schijn van kans, dat was iets voor wereldvreemde dromers. De VRT zou met Eén de concurrentie in het defensief duwen. Voor de betere televisie was er een uitwijkplaats, Canvas genaamd. Voor – weet je nog hoe de marketeers ons noemden – de ‘meerwaardezoekers’. Een geuzennaam.

William van Laeken

* Over Ethias geen kwaad woord. Ze betaalt mijn pensioen uit

Wij en Hongarije

15 / 03 / 2012

Hongarije is momenteel, met Griekenland, het stoutste jongetje van de Europese klas. De Grieken hebben gesjoemeld met hun begrotingen, de Hongaren krijgen hele slechte punten voor het vak ‘democratie’. Op Mind the Book in Gent liet een Hongaarse schrijver dan weer zien dat een van de dingen die Europa bij elkaar houdt, de literatuur is.

Café Hungaria

In 1956 kwam de Russische knoet op de Hongaarse opstand neer. Ik herinner me dat twee tantes van mij toen vluchtelingenkinderen opvingen, meisjes. Daar ging behoorlijk wat aantrekkingskracht van uit op de elfjarige jongen die ik was, maar na een tijd waren ze helaas weer weg. In 1989 was ik er als journalist bij toen enkele Oostblokdomino’s omvielen, in Warschau, Oost-Berlijn, heel even ook Praag. Maar het symbolisch doorknippen van het IJzeren Gordijn op de Hongaars-Oostenrijkse grens – nog zo’n adrenaline-moment – heb ik gemist.

In 1992 zag ik in Boedapest, in Café Hungaria dat net weer zijn vooroorlogse naam Café New York had teruggekregen, gladde jongens met hun gsm in de weer. Louche zaakjes, dat zag je op hun gezicht, het Wild-Westkapitalisme was in Oost-Europa aan zijn triomftocht begonnen. In 2004 werd Hongarije lid van de Europese Unie. En vandaag moet premier Viktor Orbán zich in Brussel verantwoorden voor zijn autoritaire uitglijders.

Literair idool

9 maart, in de Vooruit in Gent. Hongarije en zijn afkalvende democratie staan op het programma van een boekenfestival. Op het eerste gezicht is dat vreemd, maar al beter te begrijpen als je weet dat György Konrád op bezoek is, de joods-Hongaarse schrijver. Hij zal in gesprek gaan met Europarlementslid Guy Verhofstadt. Ik modereer. Maar eerst mag ik aan tafel mee aanschuiven met de Grote Schrijver. Met hoofdletters, en niet ironisch bedoeld.

Konrád was in de tweede helft van de jaren ’80 met afstand mijn grootste literair idool. Dikke boeken schreef hij toen, heel geschikt voor in de zomer, in de tuin. Lezen in De medeplichtige en in Het tuinfeest was een feest. Echte romans waren het trouwens niet. Het was een mengeling van fictie, dagboek, autobiografie en filosofische mijmeringen. Een literair genre op zich, ik geloof dat er toen de term ‘autofictie’ voor is uitgevonden. In elk geval, ik genoot er enorm van, ik had het gevoel dat ik boeken las die er toe deden.

Sinds de eeuwwisseling is de fictie bij Konrád wat naar de achtergrond verdwenen en schrijft hij voornamelijk dromerige, autobiografische boeken (hoewel je met die schrijvers nooit helemaal zeker bent). Hier zat ik dan tegenover mijn bewonderde schrijver, met z’n dramatische biografie: “Ik was zes jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. En elf toen ik als gevolg van geluk en vindingrijkheid in leven bleef. Ik was twaalf toen ik het nationaal-socialisme overleefd bleek te hebben. Ik was vijftien in het jaar van de krachtdadige invoering van het communisme, werd daarna samen met het regime ieder jaar ouder, en was zesenvijftig toen het eindelijk de geest gaf.” (in Zonsverduistering )

Wij, zijn lezers-fans, leerden Konrád pas goed kennen in het onovertroffen interviewprogramma Nauwgezet en wanhopig (1989) van Wim Kayzer. Hij zat toen in een hotelkamer in Boedapest, voor een raam met de Donau op de achtergrond (maar van dat laatste ben ik niet meer zeker). We luisterden naar zijn muzikale Hongaars en we zagen hoe hij misschien iets te vaak van zijn witte wijn nipte. Ik herinner hem daar nu aan, u dronk toen wit, zeg ik op z’n glas wijzend, nu rood. Als hij wordt weggeroepen voor een interview met het VRT-journaal neemt hij zijn glas wijn mee. En als rond negen uur het podiumgesprek begint is de schrijver aangenaam beneveld. Hij is waarschijnlijk blij dat hij Hongaars mag spreken, er is voor simultaanvertaling gezorgd.

Democratuur

Hongarije vandaag. Konrad wordt straks tachtig, hij had waarschijnlijk gehoopt dat de omwenteling van 1989 de laatste was die hij nog zou meemaken. Maar dat is buiten de waard gerekend, en de waard heet Viktor Orbán, de premier van Hongarije, gewezen liberaal die de nationalistische kaart trekt en zijn land een vreemde koers doet inslaan, de richting van een ‘democratuur’.

Zijn partij, Fidesz, heeft twee derde van de Kamerzetels en kan dus zo’n een beetje doen waar ze zin in heeft. De Grondwet is herschreven, met de nodige nationaal-christelijke retoriek over ‘eeuwenoude geschiedenis’ en ‘christelijke wortels’. Er komen tegen hoog tempo nieuwe wetten (niet moeilijk met zo’n meerderheid) die onder meer de onafhankelijkheid van de Centrale Bank en de hoogste rechtscolleges beknotten. Nog het meeste aandacht krijgt de nieuwe Mediawet die journalisten kan verplichten hun bronnen bekend te maken en met boetes dreigt in geval van ‘niet-objectieve informatie’. Bij al die ‘moderniseringen’ horen uiteraard controleorganen waar de premier zijn vertrouwensmensen plaatst. Orbáns politiek heeft veel weg van een handleiding “Hoe betonneer ik de politieke macht?”.

Europa, zoals we de bureaucratie in Brussel noemen, reageert eerst lauw (brieven schrijven naar Boedapest), daarna wat feller, vooral door toedoen van mensen als Guy Verhofstadt. De liberale fractievoorzitter in het Europese Parlement had eerder al Viktor Orbán uit zijn politieke familie gezet, nu wil hij dat er zwaarder geschut wordt bovengehaald: wie zich in de EU niet voldoende voegt naar de’ basiswaarden’ van de liberale democratie kan op grond van art. 7 van het Verdrag van Lissabon stemrecht worden ontzegd in alle EU-gremia. Het zou de eerste keer zijn dat een EU-lid zo brutaal op de vingers wordt getikt. Verhofstadt en Konrád denken dat Orbán niet het soort politicus is dat gemakkelijk plooit. Mijn buikgevoel zegt mij dat er toch wel weer ‘gecompromist’ zal worden.

Kort voor middernacht kijk ik rond in de Vooruit waar mijn geliefde schrijver is. Ik wil nog goedendag zeggen voor ik wegga. György Konrád zit met een paar vrienden in een hoek aan een tafeltje met daarop een fles Chianti-wijn. De oude strijder, als kind ontsnapt aan de gaskamer, als schrijver in de clinch met het regime, één van de tenoren van de democratische omwenteling, moet weer op pad, om uit te leggen dat het niet zo goed gaat met Hongarije. Ik vraag hem of hij optimistisch is. Natuurlijk wel, zegt hij, de slinger gaat wel weer de andere kant op. Toevallig heet zijn laatste boek ook Slingerbeweging.

William van Laeken